De Engelse tekst is de authentieke versie van de Regels voor het Schaakspel,
aangenomen op het 71e FIDE-Congres te Istanbul (Turkije),
november 2000 en geldt vanaf 1 juli 2001.
In deze Regels betekenen de woorden ‘hij’, ‘hem’ en ‘zijn’ tevens ‘zij’ en ‘haar’
De Regels voor het Schaakspel kunnen niet alle mogelijke situaties, die tijdens een partij voorkomen, dekken. Evenmin kunnen ze alle administratieve kwesties regelen. In situaties die niet nauwkeurig door een artikel van de Regels worden geregeld moet het mogelijk zijn om tot een juiste beslissing te komen door analoge situaties in overweging te nemen, die wel in de Regels voor het Schaakspel zijn behandeld. In de Regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn. Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden.
De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te aanvaarden. Een aangesloten schaakbond heeft de vrijheid om regels die meer gedetailleerd zijn, in te voeren onder voorwaarde dat:
a) zij in geen enkel opzicht in strijd zijn met de officiële FIDE Regels voor het Schaakspel;
b) zij beperkt zijn tot het gebied van de desbetreffende bond;
c) zij niet gelden voor een FIDE-wedstrijd, -kampioenschap of -kwalificatietoernooi, of voor een FIDE-titel- of ratingtoernooi.
Artikel 1: Aard en doel van het schaakspel
1.1. De schaakpartij wordt gespeeld tussen twee tegenstanders die om beurten stukken verplaatsen op een vierkant bord, “schaakbord” genoemd. De speler met de witte stukken begint de partij. Men zegt dat een speler “aan zet is”, wanneer de zet van zijn tegenstander is voltooid.
1.2. Het is de bedoeling van elke speler om de koning van de tegenstander zodanig “aan te vallen”, dat de tegenstander geen reglementaire zet heeft die voorkomt dat de koning op de volgende zet “geslagen” wordt. Men zegt dat een speler die dit bereikt, de tegenstander heeft “matgezet” en dat hij de partij heeft gewonnen. De tegenstander, die matgezet is, heeft de partij verloren.
1.3. Als de stelling zodanig is dat geen der spelers nog mat kan zetten, dan is de partij remise.
Artikel 2: De beginopstelling van de stukken op het schaakbord
2.1. Het schaakbord bestaat uit 64 gelijke vierkante velden, in een 8 bij 8 patroon, die afwisselend licht (de “witte” velden) en donker (de ‘zwarte” velden) gekleurd zijn. Het schaakbord wordt zodanig tussen de spelers geplaatst, dat het hoekveld dat het dichtst bij de rechterhand van de speler ligt, wit is.
2.2. Bij het begin van de partij heeft de ene speler 16 lichtgekleurde stukken (de “witte” stukken); de ander heeft 16 donkergekleurde stukken (de “zwarte” stukken). Deze stukken zijn de volgende:
Een witte koning |
Een zwarte koning |
2.3. De beginopstelling van de stukken op het schaakbord is als volgt:
2.4. De acht verticale kolommen van velden noemt men “lijnen”. De acht horizontale reeksen van velden noemt men “rijen”. Een rechte lijn van velden van dezelfde kleur waarvan hoekpunten elkaar raken, wordt een “diagonaal” genoemd.
Artikel 3: De loop der stukken
3.1. Geen stuk kan verplaatst worden naar een veld waarop een stuk van dezelfde kleur staat. Als een stuk naar een veld gaat waarop een stuk van de tegenstander staat, dan wordt dit geslagen en, als deel van deze zet, verwijderd van het schaakbord. Men zegt dat een stuk een veld aanvalt, als het stuk op dat veld iets kan slaan overeenkomstig de artikelen 3.2 tot en met 3.5.
3.2. (a) De dame kan naar elk veld van de lijn, de rij of een diagonaal waarop zij staat.
(b) De toren kan naar elk veld van de lijn of rij waarop hij staat.
(c) De loper kan naar elk veld van een diagonaal waarop hij staat.
Bij deze zetten kan de dame, toren of loper niet over een stuk heen worden gezet.
3.3. Het paard kan naar een van de dichtstbijzijnde velden die niet op dezelfde lijn, rij of diagonaal liggen als waarop het staat. Of er op tussenliggende velden een stuk staat, is niet van belang..
3.4. (a) De pion kan één leeg veld naar voren op dezelfde lijn.
(b) Bij zijn eerste zet mag de pion twee velden op dezelfde lijn naar voren onder voorwaarde dat beide velden leeg zijn.
(c) De pion kan naar een, door een stuk van de tegenstander bezet veld schuin voor hem op een aangrenzende lijn. Hierbij wordt dit stuk geslagen.
(d) Een pion die een veld aanvalt dat is overschreden door een pion van de tegenstander die vanaf zijn oorspronkelijke veld twee velden in één zet naar voren is gegaan, mag die pion van de tegenstander slaan alsof deze slechts één veld naar voren is gegaan. Dit slaan mag alleen bij de eerstvolgende zet en wordt “en passant” slaan genoemd.
(e) Als een pion de rij, het verst van zijn beginpositie verwijderd, bereikt, dan moet hij, als deel van dezelfde zet, worden vervangen door een dame, toren, loper of paard van dezelfde kleur. De keuze van de speler is niet beperkt tot stukken die eerder zijn geslagen. Deze vervanging van een pion door een ander stuk wordt “promotie” genoemd. Het nieuwe stuk werkt onmiddellijk.
3.5. (a) Met een koning kunnen twee verschillende zetten worden gedaan:
(i ) naar een aangrenzend veld dat niet door een of meer stukken van de tegenstander wordt aangevallen;
of
(ii) “rokeren”. Dit is een zet van de koning en een toren van dezelfde kleur op dezelfde rij, geldend als een enkele koningszet, en wordt uitgevoerd door de koning van zijn oorspronkelijke veld twee velden naar de toren te verplaatsen en daarna de toren over de koning heen te zetten op het door de koning overschreden veld.
(1) Rokeren is onreglementair:
[a] als met de koning al een zet is gedaan, of
[b] met een toren waarmee reeds is gezet.
(2) Rokeren is niet toegestaan zolang
[a] het veld waarop de koning staat, het veld dat hij overschrijdt of het veld dat hij gaat bezetten, wordt aangevallen door een of meer stukken van de tegenstander.
[b] als er een stuk staat tussen de koning en de toren waarmee wordt gerokeerd.
(b) Men zegt dat de koning “schaak” staat, als hij wordt aangevallen door een of meer stukken van de tegenstander, zelfs als deze zelf niet kunnen zetten.
Het is niet verplicht mee te delen dat de koning schaak staat.
Een speler mag geen zet doen, waarna zijn eigen koning schaak staat..
Artikel 4: Het uitvoeren van een zet
4.1. Bij het doen van een zet mag slechts één hand worden gebruikt.
4.2. Onder voorwaarde dat hij eerst zijn bedoeling daartoe kenbaar maakt (b.v. door “j’adoube” te zeggen), mag de aan zet zijnde speler een of meer stukken op hun velden rechtzetten.
4.3. Als de aan zet zijnde speler, behoudens het in artikel 4.2 vermelde, opzettelijk op het schaakbord:
(a) een of meer stukken van dezelfde kleur aanraakt, dan moet hij spelen met het eerst-aangeraakte stuk dat gezet of geslagen kan worden;
(b) één stuk van elke kleur aanraakt, dan moet hij het stuk van zijn tegenstander met zijn eigen stuk slaan. Indien dit onreglementair is, dan moet hij het eerst-aangeraakte stuk zetten of slaan dat gezet of geslagen kan worden. Tenzij het tegendeel kan worden bewezen, wordt het eigen stuk van de speler beschouwd als het eerst-aangeraakte.
4.4. (a) Als een speler opzettelijk zijn koning en een toren aanraakt, dan moet hij aan die kant rokeren, indien dit reglementair mogelijk is.
(b) Als een speler opzettelijk een toren aanraakt en daarna zijn koning, dan mag hij bij die zet niet aan die zijde rokeren en is artikel 4.3 van toepassing.
(c) Als een speler om te rokeren de koning aanraakt, of tegelijkertijd koning en toren, maar rokeren aan die zijde niet is toegestaan, dan moet de speler of met de andere toren rokeren (indien toegestaan) of met zijn koning zetten. Is er geen reglementaire zet voor de koning dan is elke andere reglementaire zet toegestaan.
4.5. Als geen der aangeraakte stukken gezet of geslagen kan worden, dan is elke andere reglementaire zet toegestaan.
4.6. Als de tegenstander artikel 4.3 of 4.4 overtreedt, dan kan een speler hiertegen niet meer protesteren nadat hij zelf opzettelijk een stuk heeft aangeraakt.
4.7. Als een stuk op een veld is losgelaten en het een reglementaire zet of een deel van een reglementaire zet betreft, dan mag het niet meer op een ander veld worden geplaatst. De zet is pas gedaan, als aan alle relevante vereisten uit artikel 3 is voldaan.
Artikel 5: Het einde van de partij
|